Enkele vaak gestelde vragen over inclusief onderwijs
Vragen
Wat is inclusief onderwijs?
Inclusief onderwijs bestaat erin om kinderen met speciale noden
(bv. door een handicap) op te nemen in het gewone onderwijs, en
ze een onderwijsparcours laten zoals hun leeftijdsgenoten. Belangrijk
hierbij is dat de doelstellingen voor een inclusiekind niet noodzakelijk
dezelfde moeten zijn als voor de andere kinderen van de klas.
Klik hier voor een meer precieze definitie.
Verschilt inclusief onderwijs van geïntegreerd
onderwijs?
Zeer zeker. De basisgedachte van geïntegreerd onderwijs (GON)
is om een kind met een handicap of leerstoornis met extra ondersteuning
voldoende te kunnen helpen dat het dezelfde leerdoelstellingen kan
halen als een gemiddelde gewone leerling. Het is met andere woorden
de leerling die zich aanpast aan de andere kinderen. Dit impliceert
dat een heleboel kinderen totaal niet in aanmerking komen voor geïntegreerd
onderwijs, omdat hun handicap dusdanig is dat er geen spake kan
zijn van het proberen om dezelfde doelstellingen voorop te stellen
als voor een gemiddelde leerling. Bij inclusief onderwijs ligt de
nadruk op de aanvaarding van de eigenheid van elk kind, met inbegrip
van de beperkingen die het ondervindt. Aldus vervalt de voorwaarde
om alle energie in te zetten om dezelfde eindtermen te halen, zodat
een inclusieleerling zijn eigen traject zal volgen. Zo wordt dan
ook meer aandacht geschonken aan de sociale integratie in de klas,
zodat het kind zich aanvaard weet (met zijn beperkingen) en dat
de andere kinderen kunnen opgroeien met het besef dat alle mensen
verschillend zijn, en dat we daar op een positieve manier mee kunnen
omgaan.
Wat is inclusief onderwijs zeker niet?
- Inclusie is geen wondermiddel om een handicap of probleem
te doen verdwijnen. Het is wel een manier om er (voor het kind en
voor de omgeving) optimaal mee om te gaan, er mee te leren leven.
- Inclusie betekent niet het probleem of de handicap afschuiven
op de verantwoordelijkheid van de school. De ouders verwachten
(terecht) van een school dat ze open staat voor hun kind zoals het
is, maar dat betekent ook dat de school een aantal verwachtingen
mag hebben naar de ouders toe. Een van de belangrijkste vereisten
om een inclusieproject te doen werken, is dat de ouders zich bewust
zijn van het probleem. Als de ouders dit niet willen inzien en alles
aan de school overlaten en de communicatie hierover gebrekkig loopt
of helemaal afwezig is, dan gaat dit volledig in tegen het idee
van inclusie: De school is slechts 1 schakel om de (inclusieve)
opvoeding van het kind te doen slagen. De ouders hebben dan een
coordinerende rol tussen school, thuisbegeleiding, de medische wereld
en paramedici (bv. logopedie), de vrijetijdswereld van het kind,
de familie enz. Als de ouders deze rol niet willen op zich nemen,
dan is het logisch dat de school een inclusieproject in vraag kan
stellen. Het spreekt voor zich dat de ouders zich in deze coordinerende
taak kunnen laten bijstaan, bv. door iemand van de thuisbegeleiding,
iemand uit de school of het CLB, of van een andere organisatie.
Vermits er op dit moment nog weinig ervaring is in deze domeinen,
komt die coordinatierol dus meestal op de schouders van de ouders
zelf.
- Inclusie is noch een cognitieve noch een sociale snelcursus
om een kind vooruit te krijgen. Het is een geleidelijk groeien
van het kind, om zichzelf te kunnen ontplooien in alle domeinen,
maar op het eigen ritme. Door individuele begeleiding, van de klasleerkracht,
een andere leerkracht of professionele begeleider (bv. GON, ION
of een logopedist) of een vrijwilliger kan men natuurlijk (net zoals
in het buitengewoon onderwijs) een stimulans geven om de evolutie
van het kind een duwtje te geven.
Wat met het buitengewoon onderwijs?
Inclusief onderwijs is complementair aan het buitengewoon onderwijs.
Het spreekt voor zich dat het belang van het kind voorop moet staan.
En een aantal kinderen zijn inderdaad best geholpen en voelen zich
het best in het beschermd milieu van het buitengewoon onderwijs.
Vandaar dat inclusief onderwijs niet de pretentie heeft om het buitengewoon
onderwijs volledig te willen doen verdwijnen. Bovendien is het buitengewoon
onderwijs een van de organisaties met een zeer grote ervaring in
het begeleiden van bepaalde ziektes, handicaps of leerstoornissen.
En deze ervaring is zeer nuttig in het kader van begeleiding van
inclusieprojecten.
Wat vindt het departement onderwijs
over inclusief onderwijs?
"Het onderwijsbeleid
stelt voorop en maakt duidelijk dat inclusie de eerste optie
is voor alle leerlingen. Daardoor wordt het - voor het geheel
van het onderwijs en voor iedere school in het bijzonder - een fundamentele
opdracht om voor elke leerling een passend kader en aanbod te realiseren
voor een optimale persoonlijke en sociale ontwikkeling. "
Overgenomen uit "Een
duidelijke beleidsoptie", uit de aanbevelingen naar aanleiding
van het symposium "Ruimte voor inclusief onderwijs" op
16/1/2004.
Een meer volledig overzicht van de visie van he departement onderwijs
en andere organisaties leest u hier.
Welke voordelen zijn er aan inclusief
onderwijs?
Sociale omgeving voor het inclusiekind
Het is een feit dat een gewone school het best aansluit op de normale
sociale omgeving waarin het kind opgroeit. In het buitengewoon onderwijs,
dikwijls veraf gelegen van de woonomgeving, groeit het kind op in
een omgeving waar geen 'gewone' kinderen zijn zoals in de thuisomgeving.
Dit beperkt de sociale integratie.
Congitieve evolutie
Kinderen leren zeer veel van leeftijdsgenoten. Door een inclusiekind
in een gewoon milieu te plaatsen, wordt het gestimuleerd door de
anderen en leert daar veel uit. In het buitengewoon onderwijs (bv.
type 2 - matig tot zwaar mentale achterstand)
komt het geregeld voor dat een kind ongewenst gedrag van een ander
kind overneemt.
Meer sociale attitude bij de andere kinderen in de inclusieklas
De realiteit bij heel wat inclusieprojecten toont dat een klas
met een inclusieleerling veelal een meer sociale attitude vertoont:
de kinderen zijn allen bekommerd om de hele klas en dus ook om de
inclusieleerling. Problemen zoals macho-gedrag en naijver komen
minder hevig voor.
De hele maatschappij
Door een inclusieleerling worden niet alleen de klasgenoten betrokken
bij een meer tolerante houding t.o.v. gehandicapten in onze maatschappij:
ook de andere leerlingen van de school, de ouders, de leerkrachten,
alle worden geconfronteerd met het feit dat een gehandicapt kind,
net zoals een gehandicapte volwassene, deel uitmaakt van onze samenleving
en dus ook zijn plaats moet krijgen in die maatschappij waarin we
allen leven.
En de zwakkere andere leerling?
Het spreekt voor zich dat in de klas naast de inclusieleerling
ook sterke en zwakkere leerlingen voorkomen. Moeten deze laatste
zich bedreigd voelen? Helemaal niet. Als de omkadering van de inclusieleerling
goed voorzien is, dan genieten ook andere kinderen hiervan: de extra
begeleiding zal zich meestal niet beperken tot die ene inclusieleerling.
Om de leerling in de klas te betrekken, zullen ook andere (veelal
zwakkere) leerlingen mee geholpen worden waar nodig. Soms kan de
extra begeleiding zich eens richten op de sterkere leerlingen, zodat
de klasleerkracht zich met de mindere leerlingen bezig houdt, met
natuurlijk ook de inclusieleerling. Zo wordt maximale differentiatie
een realiteit in één klas. Ook indien specifiek lesmateriaal
aangekocht wordt (visueel materiaal, software, ...) zullen andere
leerlingen hier mee van genieten.
Voor leerkrachten?
Voor een klasleerkracht betekent het natuurlijk een extra 'zorg',
dat er rekening moet gehouden worden met (de beperkingen van) de
inclusieleerling. Maar mits de omkadering van deze leerling juist
uitgewerkt is, hoeft dit geen grote problemen te stellen. En dan
kan een inclusieproject een verrijkende ervaring zijn, als mens,
maar ook als leerkracht (bij andere leerlingen met minder erge problemen),
en de klassfeer is meestal rustiger (zie hoger). Zie ook tips
voor leerkrachten.
Wat zijn de nadelen aan inclusief onderwijs?
Het spreekt voor zich dat er ook nadelen zijn, zowel voor het kind
als voor zijn omgeving.
Minder specifieke omkadering
In een gewone school beschikt men veelal niet over een team van
logopedisten, kinesisten, orthopedagogen enz. die optimaal kunnen
inspelen op de specifieke behoeften van het kind. De ondersteuning
die naar een gewone school gebracht wordt is veelal algemeen. Dat
neemt niet weg dat een inclusieproject ook beroep kan doen op dergelijke
ondersteuning, alleen is ze niet vanuit de school zelf voorzien
en moeten dus door de ouders betaald worden. De RIZIV- en/of ziekenfonds-tussenkomsten
zijn veelal beperkt tot een vast aantal beurten.
Kan belastend zijn voor de klas
Bij elk inclusieproject moet ook een afweging gemaakt worden wat
de impact is van een inclusieleerling op de klas. zolang die impact
niet dusdanig groot is dat de vlotte klaswerking verstoord wordt,
is er niet echt een probleem. Het moet duidelijk zijn dat ook heel
wat andere kinderen, die niet met een etiket "gehandicapt"
rondlopen, een zeer belastend element in een klas kunnen zijn d.m.v.
hun gedrag.
In sommige gevallen echter is, bv. bij zwaar gedragsgestoorde kinderen,
de impact echter zo groot dat inclusie niet zo maar kan lukken.
Dat betekent niet dat inclusie onmogelijk is: men zal er echter
moeten over waken dat bv. door veel extra begeleiding deze impact
binnen de aanvaardbare grenzen gebracht wordt.
Dit kan ook het geval zijn voor bepaalde stoornissen: Zo zijn er
ouders van kinderen met autisme die zeer goed beseffen dat de eisen
die aan een klas gesteld zouden worden inzake planning, orde, organisatie
enz. gewoon onhaalbaar zijn, zodat hun kind daar verloren zou lopen.
Financieel en organisatie
De omkadering die voorzien wordt bij een inclusieproject (GON,
ION, ...) is in de praktijk kleiner dan de omkadering in het buitengewoon
onderwijs. Daarom voorzien vele ouders van inclusieleerlingen zelf
nog extra ondersteuning, paramedische hulp enz. Dit heeft een financiele
impact en men moet er de mensen voor vinden (bv. vrijwilligers).
Dit alles is niet voor iedereen vanzelfsprekend (meer
info).
Is het inclusief onderwijs een exclusieve
aangelegenheid voor wie het kan betalen?
Dat zou het niet mogen zijn. De overheid legt heel wat middelen
ter beschikking om in de begeleiding te voorzien (meer
info). Toch is het op dit moment een feit dat het spijtig genoeg
vooral de mondige ouders zijn die inclusie in de praktijk gerealiseerd
krijgen. Maar er is hoop: de beleidsopties voor de toekomst vermelden
duidelijk een billijk
financieringssysteem als pijler om inclusie te veralgemenen.
Hoe meer leerlingen inclusief onderwijs volgen, hoe belangrijker
de belangengroep en dus hoe sterker de stem zal klinken voor een
eerlijke financiering zodat inclusie haalbaar wordt voor elke ouder.
Hoeveel kinderen volgen inclusief onderwijs?
Het is moeilijk een schatting te maken van het aantal inclusieprojecten,
omdat er geen unieke financiering bestaat en er dus geen telling
gebeurt. Als men inclusie beschouwt als een continue overgang tussen
een gewone leerling, over een GON-leerling tot een inclusieleerling,
dan wordt het pas echt moeilijk om de grens te trekken en er cijfers
op te plakken.
Feit is dat in 2003-04 er 40 projecten gesteund werden door het
departement onderwijs binnen het ION-project. Dit project staat
enkel open voor Type 2 leerlingen. Vele
type 2 leerlingen doen het zonder dit project. Daarnaast zijn er
zeker nog heel wat projecten die via een PAB ondersteuning voorzien
(veelal motorische of meervoudige handicaps).
In schooljaar 2001-2002 waren er 1516 GON projecten in de lagere
school en 491 in het secundair onderwijs (Bron: Vlaams
Fonds).
Ook in uw buurt is er dus wel ergens een kind dat inclusief onderwijs
volgt!
Wie kan aan inclusief onderwijs doen?
In principe staat inclusief onderwijs open voor elke leerling die
een probleem heet in het gewone onderwijs. In functie van de handicap
moet men inschatten waar het kind het best zal evolueren.
Kind per kind moet men dus bepalen of inclusief onderwijs de optimale
optie is om het kind te laten opgroeien, leren, beleven en gelukkig
zijn. Het belang van het kind moet hier steeds voorop staan.
Of inclusief onderwijs al dan niet de ideale optie is, dan wel
dat het kind beter opgroeit in de specifieke setting van het buitengewoon
onderwijs, hangt van vele factoren af, bv.
- de kenmerken van de handicap, beperking of probleem van het
kind
- de graad van deze handicap
- sociale ingesteldheid van het kind
- medische factoren
- de visie en ingesteldheid van de ouders van het kind
- de school- en klasomgeving waarin het kind terechtkomt
- de mogelijkheden aan extra ondersteuning die kan geboden worden
- de motivatie van het kind zelf
- ...
Hoeveel kost inclusief onderwijs?
Het spreekt voor zich dat inclusief onderwijs veel geld en inspanning
kost. Hierbij beperken we ons specifiek tot de onderwijscontext.
Bepaalde kosten (rolstoel, medische apparatuur) zijn ook in andere
situaties nodig en zijn dus niet specifiek voor het inclusief onderwijs.
Dat betekent niet dat in de kost voor inclusief onderwijs geen materiaalkosten
kunnen zitten: dikwijls is speciale apparatuur nodig om de leerling
in de klas te helpen, die in een gewone school niet voor handen
is.
Aangaande de financiele kant is er toch heel wat ondersteuning
voor ouders.
Dat het verder extra inspanning kost, kan ook voor zich spreken.
De keuze van een school en hen overtuigen, transport van en naar
de school, zoeken van de geschikte mensen om het project te doen
lukken, motiveren van de projectmedewerkers, ... Tot op vandaag
is dit (spijtig genoeg) een taak die vooral op de ouders terechtkomt.
Toch zijn er een aantal organisaties die hulp kunnen bieden (zie
links).
Wie financiert het inclusief onderwijs?
Er bestaan verschillende vormen waaronder een (financiële)
tussenkomst mogelijk is om een inclusieproject te (helpen) dragen.
Hieronder staan een aantal mogelijkheden:
| Thuisbegeleiding |
Aan te vragen via het Vlaams Fonds. |
| GON
begeleiding |
Een aantal uur per week, in functie van het type-attest |
| Verhoogd
kindergeld |
Aan te vragen via kinderbijslagkas. Werkt met een punten-systeem,
vooral gebaseerd op de zelfredzaamheid van het kind. |
| Tegemoedkoming (para)medische behandelingen (logopedie,
kinesietherapie) |
Dit ligt dikwijls heel moeilijk, omdat het RIZIV
ervan uitgaat dat een structureel probleem moet aangepakt worden
via deze paramedici in het buitengewoon onderwijs, en dus terughoudend
is met enige tussenkomst als het gaat om een leerling die in
aanmerking komt voor buitengewoon onderwijs. Soms brengen de
extra tussenkomsten van bepaalde ziekenfondsen
hier enige uitkomst. |
| ION
begeleiding |
Vergelijkbaar met GON, maar enkel voor kinderen met type
2 attest. Dit bestaat uit 5,5 uur per week begeleiding,
vanuit het buitengewoon onderwijs. |
| PAB (Persoonlijk
Assistentie Budget) |
Een budget, toegekend door het Vlaams Fonds, om de kosten
te dekken die verband houden met de handicap. In principe kan
het PAB niet gebruikt worden in de onderwijssfeer, omdat daarvoor
andere middelen beschikbaar zijn (bv. in het buitengewoon onderwijs,
of via ION/GON begeleiding). |
| Verhoogde tegemoetkoming buitenschoolse kinderopvang |
Voor kinderen met speciale behoeften bestaat de mogelijkheid
van een verhoogde tegemoetkoming door Kind en Gezin naar de
opvanginstelling of onthaalouder. (meer
info) |
Daarnaast wordt er zeer actief gebruik gemaakt van vrijwilligers
die in de klas helpen. Ook studenten van heel wat voortgezette opleidingen
doen vaak hun stage in een inclusieproject.
Een belangrijke opmerking is dat het memorandum
over inclusief onderwijs 16/1/2004 ook een billijk
financieringssysteem vooropstelt als aanbeveling naar de toekomst
van het inclusief onderwijs toe.
Zijn de gewone scholen zo al niet overbelast?
Het is correct dat de voorbije jaren er een stijgende druk is gekomen
om de schouders van het onderwijzend personeel. Verschillende regeringsmaatregelen
hebben als effect gehad dat een aantal problemen en probleemkinderen
in de gewone klasomgeving moeten aangepakt worden, daar waar er
vroeger specifieke oplossingen (meestal buiten de school) bestonden.
Langs de andere kant moet men echter wel opmerken dat de extra
middelen die het ministerie vrijgemaakt heeft om deze extra last
op te vangen, veelal als een enveloppe aan de school werd toegekend,
zodat de band met het zorgenkind zeer vaag blijft.
Bij een inclusieproject echter vertrekt men van een specifieke
ondersteuning die verbonden is aan het kind: professionelen zoals
een BuO-leerkracht, paramedici, opvoeders, vrijwilligers. Allen
komen ze hun steentje bijdragen om de extra last voor de klasleerkracht
en de school te verlichten. Als deze ondersteuning niet of onvoldoende
aanwezig is, dan zal het kind zelf daaronder gaan leiden, wat voor
niemand goed is. Maar met een degelijke begeleiding wordt een deel
van de extra last weggenomen.
Betekent dit dat de klasleerkracht helemaal geen verschil merkt?
Zeker niet. De inclusieleerling is en blijft een kind van de klas,
en het heeft ook recht om zijn deeltje aandacht van de klasleerkracht.
Het kan zeker niet de bedoeling zijn dat de extra begeleiding een
barriere vormt tussen het kind en de klas. De klasleerkracht is
en blijft de spil van de klas. En dus vraagt zulks bij momenten
(bv. als er geen begeleiding is) een extra inspanning. Maar met
een goede samenwerking met de extra begeleiding, die ook sterk sturend
kan werken voor de klasleerkracht (bv. raadgeving hoe bepaalde problemen
aan te pakken) kan dit zeker lonend zijn. De ervaring van 1 jaar
met ondersteuning een probleemkind vooruit geholpen te hebben, werpt
jaren nadien nog zijn vruchten af omdat bij andere kinderen met
minder uitgesproken problemen gelijkaardige oplossingen of technieken
gebruikt kunnen worden.
Waar vind ik praktijktips
voor een klasleerkracht?
U vindt enkele zeer handige tips in het inteview
van LerarenDirect met Annet De Vroey over de rol van leerkrachten
in een inclusieproject.
Kan een school de inschrijving van
een inclusieleerling weigeren?
Neen. Een school kan op basis van een handicap of leerprobleem
niet weigeren om een leerling in te schrijven. Wel kan een inschrijving
geweigerd worden op basis van de inschrijvingsvoorwaarden, bv. de
leeftijd van de leerling, of op basis van administratieve redenen,
zoals een school die het voorziene aantal leerlingen reeds ingeschreven
heeft. Ook een leerling die in de laatste 2 jaar definitief werd
uitgesloten uit de school hoeft niet terug ingeschreven te worden.
Maar al deze redenen hebben enkel betrekking op administratieve
aangelegenheden zodat een handicap hier niet ter zake doet. Dit
wordt expliciet bevestigd in artikel III.7:
Het in artikel III.1 bedoelde recht op inschrijving geldt
onverkort voor leerlingen die blijkens een inschrijvingsverslag
georiënteerd worden naar een type van het buitengewoon onderwijs.
Maar het is niet omdat de school een leerling inschrijft, dat de
leerling ook op de school kan (blijven) les volgen. De school kan
namelijk, na het volgen van een procedure, beslissen om de leerling
met een handicap door te verwijzen. Strikt genomen wordt deze doorverwijzing
genomen 'in overleg met de ouders' en na advies van de participatieraad
of schoolraad en het CLB. Ook kan een bemiddeling opgestart worden
via het LOP.
Wanneer kan een school een leerling
doorverwijzen?
De school kan een leerling doorverwijzen ...
... wanneer
de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen
aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie
en verzorging.
Belangrijk! Leerlingen die een attest type 8 hebben (leerstoornissen)
mogen niet meer doorverwezen worden.
Het spreekt van zelf dat bij een doorverwijzing alles draait om
de term 'draagkracht'. Feit is dat het decreet uitdrukkelijk stelt
dat de 'de beschikbare ondersteunende maatregelen' een belangrijk
element zijn in de afweging of de draagkracht voldoende is. Enige
uitleg over deze term vindt u in de
FAQ over he decreet.
Hopelijk wordt in de toekomst een verduidelijking gegeven van wat
men onder 'draagkracht' verstaat en hoe die objectief bepaald kan
worden. Een aanzet hiertoe wordt gegeven in het memorandum over
inclusief onderwijs (16/1/2004): recht
op toegang tot onderwijs in al zijn aspecten wat dan ook opgenomen
werd in de aanbevelingen: duidelijke
rechten en toepassing in samenspraak.
Ingevolge een wetswijziging op 7 juli 2005 wordt de afweging van
de draagkracht inderdaad iets nauwkeuriger omschreven. Zo worden
een aantal elementen omschreven waar de school rekening moet mee
houden bij het afwegen van de draagkracht. Daarin zit o.a. de verwachtingen
van de ouders, en de aangeboden extra hulp, zowel in als buiten
de school.
Daarnaast wordt in deze wetswijziging ook de doorverwijzing vervangen
door een weigering. Dit heeft weinig concrete verschillen met een
doorverwijzing, vermits het resultaat blijft dat de school de leerling
niet aanneemt. Ook het LOP blijft in de nieuwe wet zijn rol spelen
(zie hieronder).
Wat is de rol van het LOP bij een aanvraag
tot inclusie?
Elke doorverwijzing wordt gemeld aan het LOP (Lokaal Overlegplatform).
Hier kan, indien de ouders dit wensen, een bemiddeling tot stand
komen met de directie.
In het LOP zetelen de directies van de scholen uit de regio alook
de inrichtende machten, de CLBs en hun inrichtende machten, vertegenwoordigers
van de ouders en de leerlingen, en een aantal afgevaardigden uit
organisaties en belangengroepen die decretaal zijn vastgelegd. Het
betreft hier vooral organisaties die actief zijn rond ethnisch-culturele
minderheden, armenwerking, integratie van allochtonen, onthaalbureaus,
enz. Er is het decreet geen vertegenwoordiger voorzien die het inclusief
onderwijs kan verdedigen. Toch kan een LOP tot maximaal 4 vertegenwoordigers
uit de 'lokale socio-culturele en/of -economische partners' opnemen.
Dit laat een LOP toe om ook mensen met een achtergrond rond inclusief
onderwijs op te nemen.
Indien er bij een doorverwijzing geen vergelijk kan gevonden worden
tussen ouders en school, kan het dossier overgemaakt worden aan
de "commissie inzake leerlingenrechten". Deze commissie,
ingesteld door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, zal dan
oordelen over de al dan niet gegrondheid van de doorverwijzing.
In maart 2004 werd een school door de genoemde commissie in het
ongelijk gesteld bij een doorverwijzing (beslissing).
Wat is het ION-project?
Na een aantal minder geslaagde experimenten rond inclusie werd
eind jaren 90 gestart met een pilootproject waarin enkele kinderen
met een type-2 attest (matige tot zware mentale handicap) in het
gewoon onderwijs werden ingeschreven. De ondersteuning gebeurt door
leerkrachten type 2 vanuit een buitengewoon onderwijs school. Stelselmatig
werd het aantal leerlingen uitgebreid, en op 12 december 2003 werd
door een besluit van de Vlaamse regering dit project verankerd.
Er werd een contingent van 50 plaatsen voorzien. De ondersteuning
bedraagt 5,5 uur per week. In de praktijk lopen bij de meeste van
deze projecten nog vrijwilligers, VOBO-studenten, kinesisten of
logopedisten mee om de leerling maximaal te laten ontplooien.
In 2004 en 2005 werd het contingent steeds volledig gebruikt: er
waren dus kinderen die geen ION-ondersteuning kregen omdat er reeds
50 plaatsen bezet waren.
(Meer info over het ION-project)
Wat is het verschil tussen ION en
GON?
Naar de praktische kant toe liggen beide systemen dicht bij elkaar:
zowel bij ION als bij GON komt er ondersteuning vanuit het buitengewoon
onderwijs naar de leerling in het gewoon onderwijs.
ION kan je dus een beetje beschouwen als de GON-begeleiding voor
kinderen met een attest type 2. Een verschilpunt met GON is dat
de begeleiding van een ION-project enkel mag gebeuren door een BuO-leerkracht
verbonden aan een Type 2-school.
Meer fundamenteel kan je echter stellen dat het grootste verschil
ligt in het feit dat voor kinderen met een type 2 attest de eindtermen
onbereikbaar zijn, en dus het loslaten van die eindtermen een evidentie
zijn, wat voor een GON-leerling niet zo vanzelfsprekend is (zie
ook onderscheid geïntegreerd onderwijs
en inclusief onderwijs).
Andere kleinere verschilpunten is het aantal uur ondersteuning,
en het niet bestaan van ION in het kleuteronderwijs.
Kan ik ION-ondersteuning aanvragen
voor mijn kind?
ION-ondersteuning is mogelijk voor kinderen:
- met een attest Type 2.
- die het gewone onderwijs volgen of gaan volgen
- in het lager of het secundair onderwijs (niet in de kleuterschool
!!)
- waar al de betrokkenen (scholen, leerkrachten, ouders, CLB)
het project steunen
Hoe moet ik ION-ondersteuning aanvragen?
Zie hiervoor de administratieve formaliteiten
van een ION-project.
|