Inclusief onderwijs

Enkele vaak gestelde vragen over inclusief onderwijs

Vragen

Wat is inclusief onderwijs?

Inclusief onderwijs bestaat erin om kinderen met speciale noden (bv. door een handicap) op te nemen in het gewone onderwijs, en ze een onderwijsparcours laten zoals hun leeftijdsgenoten. Belangrijk hierbij is dat de doelstellingen voor een inclusiekind niet noodzakelijk dezelfde moeten zijn als voor de andere kinderen van de klas.

Klik hier voor een meer precieze definitie.

Verschilt inclusief onderwijs van geïntegreerd onderwijs?

Zeer zeker. De basisgedachte van geïntegreerd onderwijs (GON) is om een kind met een handicap of leerstoornis met extra ondersteuning voldoende te kunnen helpen dat het dezelfde leerdoelstellingen kan halen als een gemiddelde gewone leerling. Het is met andere woorden de leerling die zich aanpast aan de andere kinderen. Dit impliceert dat een heleboel kinderen totaal niet in aanmerking komen voor geïntegreerd onderwijs, omdat hun handicap dusdanig is dat er geen spake kan zijn van het proberen om dezelfde doelstellingen voorop te stellen als voor een gemiddelde leerling. Bij inclusief onderwijs ligt de nadruk op de aanvaarding van de eigenheid van elk kind, met inbegrip van de beperkingen die het ondervindt. Aldus vervalt de voorwaarde om alle energie in te zetten om dezelfde eindtermen te halen, zodat een inclusieleerling zijn eigen traject zal volgen. Zo wordt dan ook meer aandacht geschonken aan de sociale integratie in de klas, zodat het kind zich aanvaard weet (met zijn beperkingen) en dat de andere kinderen kunnen opgroeien met het besef dat alle mensen verschillend zijn, en dat we daar op een positieve manier mee kunnen omgaan.

Wat is inclusief onderwijs zeker niet?

- Inclusie is geen wondermiddel om een handicap of probleem te doen verdwijnen. Het is wel een manier om er (voor het kind en voor de omgeving) optimaal mee om te gaan, er mee te leren leven.

- Inclusie betekent niet het probleem of de handicap afschuiven op de verantwoordelijkheid van de school. De ouders verwachten (terecht) van een school dat ze open staat voor hun kind zoals het is, maar dat betekent ook dat de school een aantal verwachtingen mag hebben naar de ouders toe. Een van de belangrijkste vereisten om een inclusieproject te doen werken, is dat de ouders zich bewust zijn van het probleem. Als de ouders dit niet willen inzien en alles aan de school overlaten en de communicatie hierover gebrekkig loopt of helemaal afwezig is, dan gaat dit volledig in tegen het idee van inclusie: De school is slechts 1 schakel om de (inclusieve) opvoeding van het kind te doen slagen. De ouders hebben dan een coordinerende rol tussen school, thuisbegeleiding, de medische wereld en paramedici (bv. logopedie), de vrijetijdswereld van het kind, de familie enz. Als de ouders deze rol niet willen op zich nemen, dan is het logisch dat de school een inclusieproject in vraag kan stellen. Het spreekt voor zich dat de ouders zich in deze coordinerende taak kunnen laten bijstaan, bv. door iemand van de thuisbegeleiding, iemand uit de school of het CLB, of van een andere organisatie. Vermits er op dit moment nog weinig ervaring is in deze domeinen, komt die coordinatierol dus meestal op de schouders van de ouders zelf.

- Inclusie is noch een cognitieve noch een sociale snelcursus om een kind vooruit te krijgen. Het is een geleidelijk groeien van het kind, om zichzelf te kunnen ontplooien in alle domeinen, maar op het eigen ritme. Door individuele begeleiding, van de klasleerkracht, een andere leerkracht of professionele begeleider (bv. GON, ION of een logopedist) of een vrijwilliger kan men natuurlijk (net zoals in het buitengewoon onderwijs) een stimulans geven om de evolutie van het kind een duwtje te geven.

Wat met het buitengewoon onderwijs?

Inclusief onderwijs is complementair aan het buitengewoon onderwijs. Het spreekt voor zich dat het belang van het kind voorop moet staan. En een aantal kinderen zijn inderdaad best geholpen en voelen zich het best in het beschermd milieu van het buitengewoon onderwijs. Vandaar dat inclusief onderwijs niet de pretentie heeft om het buitengewoon onderwijs volledig te willen doen verdwijnen. Bovendien is het buitengewoon onderwijs een van de organisaties met een zeer grote ervaring in het begeleiden van bepaalde ziektes, handicaps of leerstoornissen. En deze ervaring is zeer nuttig in het kader van begeleiding van inclusieprojecten.

Wat vindt het departement onderwijs over inclusief onderwijs?

"Het onderwijsbeleid stelt voorop en maakt duidelijk dat inclusie de eerste optie is voor alle leerlingen. Daardoor wordt het - voor het geheel van het onderwijs en voor iedere school in het bijzonder - een fundamentele opdracht om voor elke leerling een passend kader en aanbod te realiseren voor een optimale persoonlijke en sociale ontwikkeling. "

Overgenomen uit "Een duidelijke beleidsoptie", uit de aanbevelingen naar aanleiding van het symposium "Ruimte voor inclusief onderwijs" op 16/1/2004.

Een meer volledig overzicht van de visie van he departement onderwijs en andere organisaties leest u hier.

Welke voordelen zijn er aan inclusief onderwijs?

Sociale omgeving voor het inclusiekind

Het is een feit dat een gewone school het best aansluit op de normale sociale omgeving waarin het kind opgroeit. In het buitengewoon onderwijs, dikwijls veraf gelegen van de woonomgeving, groeit het kind op in een omgeving waar geen 'gewone' kinderen zijn zoals in de thuisomgeving. Dit beperkt de sociale integratie.

Congitieve evolutie

Kinderen leren zeer veel van leeftijdsgenoten. Door een inclusiekind in een gewoon milieu te plaatsen, wordt het gestimuleerd door de anderen en leert daar veel uit. In het buitengewoon onderwijs (bv. type 2 - matig tot zwaar mentale achterstand) komt het geregeld voor dat een kind ongewenst gedrag van een ander kind overneemt.

Meer sociale attitude bij de andere kinderen in de inclusieklas

De realiteit bij heel wat inclusieprojecten toont dat een klas met een inclusieleerling veelal een meer sociale attitude vertoont: de kinderen zijn allen bekommerd om de hele klas en dus ook om de inclusieleerling. Problemen zoals macho-gedrag en naijver komen minder hevig voor.

De hele maatschappij

Door een inclusieleerling worden niet alleen de klasgenoten betrokken bij een meer tolerante houding t.o.v. gehandicapten in onze maatschappij: ook de andere leerlingen van de school, de ouders, de leerkrachten, alle worden geconfronteerd met het feit dat een gehandicapt kind, net zoals een gehandicapte volwassene, deel uitmaakt van onze samenleving en dus ook zijn plaats moet krijgen in die maatschappij waarin we allen leven.

En de zwakkere andere leerling?

Het spreekt voor zich dat in de klas naast de inclusieleerling ook sterke en zwakkere leerlingen voorkomen. Moeten deze laatste zich bedreigd voelen? Helemaal niet. Als de omkadering van de inclusieleerling goed voorzien is, dan genieten ook andere kinderen hiervan: de extra begeleiding zal zich meestal niet beperken tot die ene inclusieleerling. Om de leerling in de klas te betrekken, zullen ook andere (veelal zwakkere) leerlingen mee geholpen worden waar nodig. Soms kan de extra begeleiding zich eens richten op de sterkere leerlingen, zodat de klasleerkracht zich met de mindere leerlingen bezig houdt, met natuurlijk ook de inclusieleerling. Zo wordt maximale differentiatie een realiteit in één klas. Ook indien specifiek lesmateriaal aangekocht wordt (visueel materiaal, software, ...) zullen andere leerlingen hier mee van genieten.

Voor leerkrachten?

Voor een klasleerkracht betekent het natuurlijk een extra 'zorg', dat er rekening moet gehouden worden met (de beperkingen van) de inclusieleerling. Maar mits de omkadering van deze leerling juist uitgewerkt is, hoeft dit geen grote problemen te stellen. En dan kan een inclusieproject een verrijkende ervaring zijn, als mens, maar ook als leerkracht (bij andere leerlingen met minder erge problemen), en de klassfeer is meestal rustiger (zie hoger). Zie ook tips voor leerkrachten.

Wat zijn de nadelen aan inclusief onderwijs?

Het spreekt voor zich dat er ook nadelen zijn, zowel voor het kind als voor zijn omgeving.

Minder specifieke omkadering

In een gewone school beschikt men veelal niet over een team van logopedisten, kinesisten, orthopedagogen enz. die optimaal kunnen inspelen op de specifieke behoeften van het kind. De ondersteuning die naar een gewone school gebracht wordt is veelal algemeen. Dat neemt niet weg dat een inclusieproject ook beroep kan doen op dergelijke ondersteuning, alleen is ze niet vanuit de school zelf voorzien en moeten dus door de ouders betaald worden. De RIZIV- en/of ziekenfonds-tussenkomsten zijn veelal beperkt tot een vast aantal beurten.

Kan belastend zijn voor de klas

Bij elk inclusieproject moet ook een afweging gemaakt worden wat de impact is van een inclusieleerling op de klas. zolang die impact niet dusdanig groot is dat de vlotte klaswerking verstoord wordt, is er niet echt een probleem. Het moet duidelijk zijn dat ook heel wat andere kinderen, die niet met een etiket "gehandicapt" rondlopen, een zeer belastend element in een klas kunnen zijn d.m.v. hun gedrag.
In sommige gevallen echter is, bv. bij zwaar gedragsgestoorde kinderen, de impact echter zo groot dat inclusie niet zo maar kan lukken. Dat betekent niet dat inclusie onmogelijk is: men zal er echter moeten over waken dat bv. door veel extra begeleiding deze impact binnen de aanvaardbare grenzen gebracht wordt.
Dit kan ook het geval zijn voor bepaalde stoornissen: Zo zijn er ouders van kinderen met autisme die zeer goed beseffen dat de eisen die aan een klas gesteld zouden worden inzake planning, orde, organisatie enz. gewoon onhaalbaar zijn, zodat hun kind daar verloren zou lopen.

Financieel en organisatie

De omkadering die voorzien wordt bij een inclusieproject (GON, ION, ...) is in de praktijk kleiner dan de omkadering in het buitengewoon onderwijs. Daarom voorzien vele ouders van inclusieleerlingen zelf nog extra ondersteuning, paramedische hulp enz. Dit heeft een financiele impact en men moet er de mensen voor vinden (bv. vrijwilligers). Dit alles is niet voor iedereen vanzelfsprekend (meer info).

Is het inclusief onderwijs een exclusieve aangelegenheid voor wie het kan betalen?

Dat zou het niet mogen zijn. De overheid legt heel wat middelen ter beschikking om in de begeleiding te voorzien (meer info). Toch is het op dit moment een feit dat het spijtig genoeg vooral de mondige ouders zijn die inclusie in de praktijk gerealiseerd krijgen. Maar er is hoop: de beleidsopties voor de toekomst vermelden duidelijk een billijk financieringssysteem als pijler om inclusie te veralgemenen. Hoe meer leerlingen inclusief onderwijs volgen, hoe belangrijker de belangengroep en dus hoe sterker de stem zal klinken voor een eerlijke financiering zodat inclusie haalbaar wordt voor elke ouder.

Hoeveel kinderen volgen inclusief onderwijs?

Het is moeilijk een schatting te maken van het aantal inclusieprojecten, omdat er geen unieke financiering bestaat en er dus geen telling gebeurt. Als men inclusie beschouwt als een continue overgang tussen een gewone leerling, over een GON-leerling tot een inclusieleerling, dan wordt het pas echt moeilijk om de grens te trekken en er cijfers op te plakken.

Feit is dat in 2003-04 er 40 projecten gesteund werden door het departement onderwijs binnen het ION-project. Dit project staat enkel open voor Type 2 leerlingen. Vele type 2 leerlingen doen het zonder dit project. Daarnaast zijn er zeker nog heel wat projecten die via een PAB ondersteuning voorzien (veelal motorische of meervoudige handicaps).

In schooljaar 2001-2002 waren er 1516 GON projecten in de lagere school en 491 in het secundair onderwijs (Bron: Vlaams Fonds).

Ook in uw buurt is er dus wel ergens een kind dat inclusief onderwijs volgt!

Wie kan aan inclusief onderwijs doen?

In principe staat inclusief onderwijs open voor elke leerling die een probleem heet in het gewone onderwijs. In functie van de handicap moet men inschatten waar het kind het best zal evolueren.

Kind per kind moet men dus bepalen of inclusief onderwijs de optimale optie is om het kind te laten opgroeien, leren, beleven en gelukkig zijn. Het belang van het kind moet hier steeds voorop staan.

Of inclusief onderwijs al dan niet de ideale optie is, dan wel dat het kind beter opgroeit in de specifieke setting van het buitengewoon onderwijs, hangt van vele factoren af, bv.

  • de kenmerken van de handicap, beperking of probleem van het kind
  • de graad van deze handicap
  • sociale ingesteldheid van het kind
  • medische factoren
  • de visie en ingesteldheid van de ouders van het kind
  • de school- en klasomgeving waarin het kind terechtkomt
  • de mogelijkheden aan extra ondersteuning die kan geboden worden
  • de motivatie van het kind zelf
  • ...

Hoeveel kost inclusief onderwijs?

Het spreekt voor zich dat inclusief onderwijs veel geld en inspanning kost. Hierbij beperken we ons specifiek tot de onderwijscontext. Bepaalde kosten (rolstoel, medische apparatuur) zijn ook in andere situaties nodig en zijn dus niet specifiek voor het inclusief onderwijs. Dat betekent niet dat in de kost voor inclusief onderwijs geen materiaalkosten kunnen zitten: dikwijls is speciale apparatuur nodig om de leerling in de klas te helpen, die in een gewone school niet voor handen is.

Aangaande de financiele kant is er toch heel wat ondersteuning voor ouders.

Dat het verder extra inspanning kost, kan ook voor zich spreken. De keuze van een school en hen overtuigen, transport van en naar de school, zoeken van de geschikte mensen om het project te doen lukken, motiveren van de projectmedewerkers, ... Tot op vandaag is dit (spijtig genoeg) een taak die vooral op de ouders terechtkomt. Toch zijn er een aantal organisaties die hulp kunnen bieden (zie links).

Wie financiert het inclusief onderwijs?

Er bestaan verschillende vormen waaronder een (financiële) tussenkomst mogelijk is om een inclusieproject te (helpen) dragen. Hieronder staan een aantal mogelijkheden:

Thuisbegeleiding Aan te vragen via het Vlaams Fonds.
GON begeleiding Een aantal uur per week, in functie van het type-attest
Verhoogd kindergeld Aan te vragen via kinderbijslagkas. Werkt met een punten-systeem, vooral gebaseerd op de zelfredzaamheid van het kind.
Tegemoedkoming (para)medische behandelingen (logopedie, kinesietherapie) Dit ligt dikwijls heel moeilijk, omdat het RIZIV ervan uitgaat dat een structureel probleem moet aangepakt worden via deze paramedici in het buitengewoon onderwijs, en dus terughoudend is met enige tussenkomst als het gaat om een leerling die in aanmerking komt voor buitengewoon onderwijs. Soms brengen de extra tussenkomsten van bepaalde ziekenfondsen hier enige uitkomst.
ION begeleiding Vergelijkbaar met GON, maar enkel voor kinderen met type 2 attest. Dit bestaat uit 5,5 uur per week begeleiding, vanuit het buitengewoon onderwijs.
PAB (Persoonlijk Assistentie Budget) Een budget, toegekend door het Vlaams Fonds, om de kosten te dekken die verband houden met de handicap. In principe kan het PAB niet gebruikt worden in de onderwijssfeer, omdat daarvoor andere middelen beschikbaar zijn (bv. in het buitengewoon onderwijs, of via ION/GON begeleiding).
Verhoogde tegemoetkoming buitenschoolse kinderopvang Voor kinderen met speciale behoeften bestaat de mogelijkheid van een verhoogde tegemoetkoming door Kind en Gezin naar de opvanginstelling of onthaalouder. (meer info)

Daarnaast wordt er zeer actief gebruik gemaakt van vrijwilligers die in de klas helpen. Ook studenten van heel wat voortgezette opleidingen doen vaak hun stage in een inclusieproject.

Een belangrijke opmerking is dat het memorandum over inclusief onderwijs 16/1/2004 ook een billijk financieringssysteem vooropstelt als aanbeveling naar de toekomst van het inclusief onderwijs toe.

Zijn de gewone scholen zo al niet overbelast?

Het is correct dat de voorbije jaren er een stijgende druk is gekomen om de schouders van het onderwijzend personeel. Verschillende regeringsmaatregelen hebben als effect gehad dat een aantal problemen en probleemkinderen in de gewone klasomgeving moeten aangepakt worden, daar waar er vroeger specifieke oplossingen (meestal buiten de school) bestonden.

Langs de andere kant moet men echter wel opmerken dat de extra middelen die het ministerie vrijgemaakt heeft om deze extra last op te vangen, veelal als een enveloppe aan de school werd toegekend, zodat de band met het zorgenkind zeer vaag blijft.

Bij een inclusieproject echter vertrekt men van een specifieke ondersteuning die verbonden is aan het kind: professionelen zoals een BuO-leerkracht, paramedici, opvoeders, vrijwilligers. Allen komen ze hun steentje bijdragen om de extra last voor de klasleerkracht en de school te verlichten. Als deze ondersteuning niet of onvoldoende aanwezig is, dan zal het kind zelf daaronder gaan leiden, wat voor niemand goed is. Maar met een degelijke begeleiding wordt een deel van de extra last weggenomen.

Betekent dit dat de klasleerkracht helemaal geen verschil merkt? Zeker niet. De inclusieleerling is en blijft een kind van de klas, en het heeft ook recht om zijn deeltje aandacht van de klasleerkracht. Het kan zeker niet de bedoeling zijn dat de extra begeleiding een barriere vormt tussen het kind en de klas. De klasleerkracht is en blijft de spil van de klas. En dus vraagt zulks bij momenten (bv. als er geen begeleiding is) een extra inspanning. Maar met een goede samenwerking met de extra begeleiding, die ook sterk sturend kan werken voor de klasleerkracht (bv. raadgeving hoe bepaalde problemen aan te pakken) kan dit zeker lonend zijn. De ervaring van 1 jaar met ondersteuning een probleemkind vooruit geholpen te hebben, werpt jaren nadien nog zijn vruchten af omdat bij andere kinderen met minder uitgesproken problemen gelijkaardige oplossingen of technieken gebruikt kunnen worden.

Waar vind ik praktijktips voor een klasleerkracht?

U vindt enkele zeer handige tips in het inteview van LerarenDirect met Annet De Vroey over de rol van leerkrachten in een inclusieproject.

Kan een school de inschrijving van een inclusieleerling weigeren?

Neen. Een school kan op basis van een handicap of leerprobleem niet weigeren om een leerling in te schrijven. Wel kan een inschrijving geweigerd worden op basis van de inschrijvingsvoorwaarden, bv. de leeftijd van de leerling, of op basis van administratieve redenen, zoals een school die het voorziene aantal leerlingen reeds ingeschreven heeft. Ook een leerling die in de laatste 2 jaar definitief werd uitgesloten uit de school hoeft niet terug ingeschreven te worden. Maar al deze redenen hebben enkel betrekking op administratieve aangelegenheden zodat een handicap hier niet ter zake doet. Dit wordt expliciet bevestigd in artikel III.7:

Het in artikel III.1 bedoelde recht op inschrijving geldt onverkort voor leerlingen die blijkens een inschrijvingsverslag georiënteerd worden naar een type van het buitengewoon onderwijs.

Maar het is niet omdat de school een leerling inschrijft, dat de leerling ook op de school kan (blijven) les volgen. De school kan namelijk, na het volgen van een procedure, beslissen om de leerling met een handicap door te verwijzen. Strikt genomen wordt deze doorverwijzing genomen 'in overleg met de ouders' en na advies van de participatieraad of schoolraad en het CLB. Ook kan een bemiddeling opgestart worden via het LOP.

Wanneer kan een school een leerling doorverwijzen?

De school kan een leerling doorverwijzen ...

... wanneer de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging.

Belangrijk! Leerlingen die een attest type 8 hebben (leerstoornissen) mogen niet meer doorverwezen worden.

Het spreekt van zelf dat bij een doorverwijzing alles draait om de term 'draagkracht'. Feit is dat het decreet uitdrukkelijk stelt dat de 'de beschikbare ondersteunende maatregelen' een belangrijk element zijn in de afweging of de draagkracht voldoende is. Enige uitleg over deze term vindt u in de FAQ over he decreet.

Hopelijk wordt in de toekomst een verduidelijking gegeven van wat men onder 'draagkracht' verstaat en hoe die objectief bepaald kan worden. Een aanzet hiertoe wordt gegeven in het memorandum over inclusief onderwijs (16/1/2004): recht op toegang tot onderwijs in al zijn aspecten wat dan ook opgenomen werd in de aanbevelingen: duidelijke rechten en toepassing in samenspraak.

Ingevolge een wetswijziging op 7 juli 2005 wordt de afweging van de draagkracht inderdaad iets nauwkeuriger omschreven. Zo worden een aantal elementen omschreven waar de school rekening moet mee houden bij het afwegen van de draagkracht. Daarin zit o.a. de verwachtingen van de ouders, en de aangeboden extra hulp, zowel in als buiten de school.
Daarnaast wordt in deze wetswijziging ook de doorverwijzing vervangen door een weigering. Dit heeft weinig concrete verschillen met een doorverwijzing, vermits het resultaat blijft dat de school de leerling niet aanneemt. Ook het LOP blijft in de nieuwe wet zijn rol spelen (zie hieronder).

Wat is de rol van het LOP bij een aanvraag tot inclusie?

Elke doorverwijzing wordt gemeld aan het LOP (Lokaal Overlegplatform). Hier kan, indien de ouders dit wensen, een bemiddeling tot stand komen met de directie.

In het LOP zetelen de directies van de scholen uit de regio alook de inrichtende machten, de CLBs en hun inrichtende machten, vertegenwoordigers van de ouders en de leerlingen, en een aantal afgevaardigden uit organisaties en belangengroepen die decretaal zijn vastgelegd. Het betreft hier vooral organisaties die actief zijn rond ethnisch-culturele minderheden, armenwerking, integratie van allochtonen, onthaalbureaus, enz. Er is het decreet geen vertegenwoordiger voorzien die het inclusief onderwijs kan verdedigen. Toch kan een LOP tot maximaal 4 vertegenwoordigers uit de 'lokale socio-culturele en/of -economische partners' opnemen. Dit laat een LOP toe om ook mensen met een achtergrond rond inclusief onderwijs op te nemen.

Indien er bij een doorverwijzing geen vergelijk kan gevonden worden tussen ouders en school, kan het dossier overgemaakt worden aan de "commissie inzake leerlingenrechten". Deze commissie, ingesteld door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, zal dan oordelen over de al dan niet gegrondheid van de doorverwijzing.

In maart 2004 werd een school door de genoemde commissie in het ongelijk gesteld bij een doorverwijzing (beslissing).

Wat is het ION-project?

Na een aantal minder geslaagde experimenten rond inclusie werd eind jaren 90 gestart met een pilootproject waarin enkele kinderen met een type-2 attest (matige tot zware mentale handicap) in het gewoon onderwijs werden ingeschreven. De ondersteuning gebeurt door leerkrachten type 2 vanuit een buitengewoon onderwijs school. Stelselmatig werd het aantal leerlingen uitgebreid, en op 12 december 2003 werd door een besluit van de Vlaamse regering dit project verankerd. Er werd een contingent van 50 plaatsen voorzien. De ondersteuning bedraagt 5,5 uur per week. In de praktijk lopen bij de meeste van deze projecten nog vrijwilligers, VOBO-studenten, kinesisten of logopedisten mee om de leerling maximaal te laten ontplooien.
In 2004 en 2005 werd het contingent steeds volledig gebruikt: er waren dus kinderen die geen ION-ondersteuning kregen omdat er reeds 50 plaatsen bezet waren.

(Meer info over het ION-project)

Wat is het verschil tussen ION en GON?

Naar de praktische kant toe liggen beide systemen dicht bij elkaar: zowel bij ION als bij GON komt er ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs naar de leerling in het gewoon onderwijs.
ION kan je dus een beetje beschouwen als de GON-begeleiding voor kinderen met een attest type 2. Een verschilpunt met GON is dat de begeleiding van een ION-project enkel mag gebeuren door een BuO-leerkracht verbonden aan een Type 2-school.
Meer fundamenteel kan je echter stellen dat het grootste verschil ligt in het feit dat voor kinderen met een type 2 attest de eindtermen onbereikbaar zijn, en dus het loslaten van die eindtermen een evidentie zijn, wat voor een GON-leerling niet zo vanzelfsprekend is (zie ook onderscheid geïntegreerd onderwijs en inclusief onderwijs).
Andere kleinere verschilpunten is het aantal uur ondersteuning, en het niet bestaan van ION in het kleuteronderwijs.

Kan ik ION-ondersteuning aanvragen voor mijn kind?

ION-ondersteuning is mogelijk voor kinderen:

  • met een attest Type 2.
  • die het gewone onderwijs volgen of gaan volgen
  • in het lager of het secundair onderwijs (niet in de kleuterschool !!)
  • waar al de betrokkenen (scholen, leerkrachten, ouders, CLB) het project steunen

Hoe moet ik ION-ondersteuning aanvragen?

Zie hiervoor de administratieve formaliteiten van een ION-project.

 

© 2003-2005, Xavier Van Dessel. - www.inclusiefonderwijs.be - Laatste bijwerking: 2/1/07