|
Onderstaand artikel is verschenen in De
Standaard van 3 juni 2004
BRUSSEL - Het katholiek basisonderwijs heeft gisteren de bocht genomen
en koos voor de ,,inclusie'', de opname van kinderen met een handicap
in het gewoon onderwijs.
HET was een voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten
en het veroorzaakte van bij het begin commotie: kinderen waarvan de ouders
dat wensen, moeten het recht hebben een gewone school te volgen. Ze roeide
tegen de stroom, want het aantal kinderen in het buitengewoon onderwijs
steeg toen.
Het buitengewoon onderwijs reageerde overwegend negatief. Het voelde
zich gekwetst in zijn deskundigheid, en zag zich in zijn bestaan bedreigd.
Het vreesde dat zijn knowhow teloor zou gaan. Het was bang dat veel kinderen
niet meer de speciale zorg zouden krijgen waarop ze recht hebben. Een
aantal gewone basisscholen zag wel wat in het voorstel. Andere waren tegen.
Enkele oudergroepen waren militant voor. Geheel nieuw was het idee nochtans
niet. Van in de jaren tachtig bestaan er projecten die mikken op de integratie
van gehandicapte ,,buitengewone'' kinderen in het gewone onderwijs. Het
GON-project voorzag al in de jaren tachtig in ondersteuning van die scholen
en kinderen vanuit het buitengewoon onderwijs. Maar tot nu ging het altijd
om vrijwilligheid. Scholen waren niet verplicht zo'n kind te aanvaarden.
Minister Vanderpoorten wou een inschrijvingsrecht invoeren en kreeg dat
ook, via het gelijkekansendecreet, zij het dat het recht voor gehandicapten
minder absoluut is dan voor andere groepen.
Nogal wat katholieke basisscholen pikten erop in, andere niet. De koepel
van het gewoon katholiek basisonderwijs sprak zich niet uit en liet de
zaak over aan de collega's van het buitengewoon onderwijs. Gisteren veranderde
dat. Het gewoon katholiek basisonderwijs bekende zich tot de gematigde
voorstanders. Het deed dat op een bijeenkomst met scholen die al positieve
ervaringen opdeden.
Namens de koepel zei Beatrijs Pletinck dat de overheid dan wel consequent
moet zijn. Ze vindt dat er regionale samenwerkingsverbanden van gewone
en buitengewone scholen tot stand moeten komen, en die moeten groter zijn
dan de scholengemeenschappen die de minister afgelopen jaar deed ontstaan:
er moet voldoende expertise van het buitengewoon onderwijs in aanwezig
zijn. De overheid moet dan ook voorzien in professionele begeleiding van
die scholen en kinderen: dat mag niet langer afhankelijk zijn van privé-engagement
van leraars en vrijwilligerswerk.
,,Als de overheid het wil laten slagen, moet ze ook realistisch zijn.
Ouders kiezen soms voor het buitengewoon onderwijs omdat de logopedie
er gratis is. Dat soort dingen moet ook in het gewoon onderwijs kunnen
op grond van een objectieve indicatiestelling.''
(g. teg.)
Met dank aan De Standaard voor de toelating tot overname van dit artikel.
|