Inclusief onderwijs - memorandum

Kwaliteit (schoolvisie en –beleid, omgaan met diversiteit, differentiatie)

Inclusie noodzaakt een andere, minder prestatiegerichte visie op leren en onderwijzen. Binnen deze visie is er ruimte voor elk kind en elke jongere. Deze visie dient tot uiting te komen in de opdrachtverklaring of mission statement van elke school en dient gewaarborgd te worden door een gestuurd kwaliteitsbeleid. Deze visie dient ook op geregelde tijdstippen geëvalueerd en getoetst te worden op de bereikte doelmatigheid.

Binnen deze visie maakt een te éénzijdige stoornisgebonden benadering plaats voor een sterktezwakte analyse waarbij het kind-in-zijn-context (gezin en school) beschreven wordt in termen van de ingeschatte ondersteuningsbehoefte voor dit concrete kind/jongere.

Typologie en categorisering op basis van stoorniskenmerken verhinderen vaak het realiseren van de beste oplossing voor een kind. De determinatie van de bestaande categorisering voor de organisatie en de inhoud van het onderwijs dient verlaten te worden.

Diagnostiek in het kader van inclusief onderwijs moet gericht zijn op het omschrijven van de ondersteuning die nodig is om een kind volwaardig te laten participeren (participatieplanning en handelingsgerichte diagnostiek). Dit gebeurt op basis van een grondige analyse van de mogelijkheden en beperkingen, niet alleen van het kind, maar eveneens van het gezin en van de klas- en schoolomgeving en met gebruik van specifieke expertise waar nodig. In dit proces moet het kind / de jongere zelf ook inspraak hebben. Alle begeleidingsdiensten moeten in staat gesteld worden deze vorm van diagnostiek en ondersteuning te hanteren.

Daarnaast is er ook nood aan aanpassing van het curriculum, van de instructie, van de wijze van evalueren en van de school- en klascontext zonder dat het kind de band verliest met de klas- en leeftijdsgenoten. Het leerproces wordt eerder door de leerling gestuurd dan door de leerkracht of de leerstof. Maar ook sociale (vriendschaps)relaties, banden onder “lotgenoten” en “peer support”, zijn belangrijk.

De zienswijze die in het onderwijsveld bestaat over de onverzoenbaarheid van het concept van eindtermen met het concept van inclusief onderwijs vraagt om verduidelijking en rechtzetting. Men pleit voor een concept waarbij de eindtermen beschouwd worden als doelen waarbij kinderen de kans moeten krijgen om op eigen tempo een eigen leerroute te ontwikkelen.

Inclusief onderwijs beoogt ook een einde te maken aan het koppelen van bepaalde vormen van onderwijs aan bepaalde types van kinderen. Inclusief onderwijs is niet een bijkomende vorm van onderwijs (naast het gewoon- en buitengewoon onderwijs) voor specifieke groepen van kinderen, en voor andere niet. Het beoogt integendeel een kwaliteitsvol onderwijs voor alle kinderen, d.w.z. een onderwijs dat kwaliteitsvol kan omgaan met diversiteit. Dit is een opdracht voor elke school. Dit lijkt weliswaar een vanzelfsprekend uitgangspunt, maar wellicht is het wel één van de grootste uitdagingen die het onderwijssysteem de komende jaren te wachten staat.

Inclusie impliceert ook het aanvaarden van een meer gedifferentieerde output op leerlingniveau. Dit heeft consequenties op het vlak van de certificering. In dat opzicht dient alternatieve attestering met vermelding van verworven vaardigheden mogelijk gemaakt en erkend te worden.

De realisatie van inclusief onderwijs vraagt dus om meer dan een bijsturing van de huidige structuren: er is nood aan een andere structuur. Aan de aanbodzijde wordt gepleit voor een continuüm van zorg die kan ingezet worden in het onderwijsmidden, zonder te vervallen in een opdeling in structuren. Op die wijze kan flexibel ingespeeld worden op de uiteenlopende specifieke onderwijsnoden van alle leerlingen. De momenteel geboden ondersteuning is immers vaak te fragmentair (beperkt tot of de school, of het vrijetijdsmidden, of de thuissituatie,…). Er is nood aan een integrale benadering, waarbij verschillende overheidsinstanties zijn betrokken: onderwijs, welzijn, RIZIV, tewerkstelling,… .

Elk kind moet in het onderwijs dus een eigen leertraject kunnen volgen, in zijn eigen tempo en aansluitend bij zijn mogelijkheden, behoeften en interesses. Een dergelijke vorm van leerlinggericht werken vergt nog vele aanpassingen in het huidig onderwijssysteem dat de gemiddelde leerling als referentiepunt heeft. Er moet nagegaan worden op welke wijze de regelgeving veranderd of versoepeld kan worden om de bovenstaande kenmerken van leerlinggericht werken te ondersteunen en om een diversiteit van leertrajecten mogelijk te maken.

 

© 2003-2005, Xavier Van Dessel. - www.inclusiefonderwijs.be - Laatste bijwerking: 14/3/05