Haalbaarheid en doelmatigheid
Het inclusiedebat wordt nog te vaak beheerst door onbekendheid,
onzekerheid en handelingsverlegenheid bij leerkrachten. Er bestaat
een grote consensus over dat er extra inspanningen nodig zijn om
de draagkracht van leerkrachten en scholen te vergroten om onderwijs
te bieden dat tegemoet komt aan de noden van alle leerlingen.
In de discussie over faciliterende voorwaarden voor inclusie worden
case-management en trajectbegeleiding als efficiënte werkvormen
naar voor geschoven. Een kind kan immers nood hebben aan hulpmiddelen,
assistentie, extra pedagogisch-didactische begeleiding, therapie,
verzorging, enz. om zich volwaardig te kunnen ontwikkelen en/of
om te kunnen participeren in de klas. In dat verband wordt gesuggereerd
dat op regionale schaal een pool van ondersteuningsvormen vanuit
diverse diensten en settings uit onderwijs en welzijn beschikbaar
zou moeten zijn. Ouders en begeleiders kunnen daaruit putten om
een pakket van aangepaste ondersteuning samen te stellen. De regelgeving
hierrond moet zo flexibel mogelijk zijn. In de huidige aanbodgestuurde
zorgsystemen is dergelijke vraaggerichte benadering nauwelijks inpasbaar.
Bovenstaande suggesties vragen ook dat er meer in teamverband samengewerkt
en overlegd wordt binnen een ondersteunend netwerk rond een kind,
waartoe ook de betrokken kinderen en hun ouders behoren.
De taak van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) in dit proces
is duidelijk maar dient verder geïmplementeerd te worden. In
het kader van inclusief onderwijs is er een grote behoefte aan volledige
informatie, het beluisteren van de verwachtingen van de ouders,
een goede inschatting van onderwijs- en speciale hulpbehoeften,
begeleiding van ouders en leraren, en eventueel bemiddeling, waarbij
aan de partner die het nodig heeft gepaste ondersteuning geboden
wordt. Voor alles blijkt openheid en respect voor rechtmatige verwachtingen
van ouders een basisvoorwaarde te zijn van gewaardeerde begeleiding.
In het kader van een integrale benadering dient ook de inbreng
van andere school-externe diensten (vroeg- en thuisbegeleiding,
diensten voor revalidatie, …) uitgeklaard en soms bijgestuurd
te worden. Alle betrokken diensten dienen te functioneren vanuit
de inclusiegedachte. Er is m.n. nood aan een integrale vorm van
ondersteuning die niet opgesplitst wordt volgens sterk van elkaar
verschillende criteria.
Alle noodzakelijke interventiemogelijkheden op de raakvlakken van
welzijn met onderwijs dienen maximaal aangewend te worden. Daartoe
dient bovenal een goede coördinatie van onderwijs en hulpverlening
verzekerd te worden, waarbij het CLB een draaischijffunctie kan
vervullen.
De leerkracht blijft een spilfiguur in het realiseren van inclusief
onderwijs. Het is dan ook niet verwonderlijk dat nogal wat aandacht
moet gaan naar de basiscompetenties van een leerkracht. Vele van
de competenties die nodig zijn voor het realiseren van inclusief
onderwijs komen nu al aan bod in basisopleidingen. De huidige inspanningen
om deze via voortgezette opleidingen en nascholingsprogramma’s
te verdiepen en uit te breiden, dienen bestendigd te worden. Langere
ingroeistages kunnen hiertoe een belangrijke bijdrage leveren. Verschillende
opleidingen zouden hun inspanningen terzake ook op elkaar kunnen
afstemmen. Intervisie in actieve dienst is eveneens van belang.
Wat de mogelijke inbreng van het buitengewoon onderwijs betreft
dient vooral de bekwaamheid van het personeel inzake het dagdagelijks
realiseren van aangepast onderwijs als een prioritair referentiekader
vooropgesteld te worden. Om deze deskundigheid in samenwerking met
een gewone school aan te wenden en/of door te geven, dient extra
geïnvesteerd te worden in het bekwamen van de personeelsleden
in het begeleiden van hun collega’s binnen gewone scholen.
Zo wordt het mogelijk de noodzakelijk geachte transfer van deskundigheid
te optimaliseren. De inspanningen die scholen voor buitengewoon
onderwijs op dit vlak leveren dienen gehonoreerd te worden.
Tot slot moeten ook ouders volwaardig deel kunnen uitmaken van
het ondersteuningsteam.
|