Recht op toegang tot onderwijs in al zijn aspecten
Het is een fundamenteel recht van elke leerling om toegang te krijgen
tot de school die hijzelf of zijn ouders kiezen. Het is de opdracht
van iedere school om een leef- en leeromgeving te creëren die
aan al haar leerlingen optimale ontwikkelings- en leerkansen biedt.
In het kader van inclusief onderwijs is het een uitdaging voor iedere
gewone school om zich gaandeweg zo te ontwikkelen dat in principe
alle leerlingen, zeker zoveel mogelijk leerlingen, er een kwalitatief
aanbod vinden voor optimale groei, en er maximale leerkansen krijgen.
Binnen onze actuele legale context is evenwel de toegang tot de
school van keuze nog altijd geen volwaardig recht. Weigering en
gedwongen schoolshopping zijn het gevolg. Praktisch dient er een
evenwicht gezocht te worden tussen de reële draagkracht van
de school en de rechtmatige verwachtingen van elke leerling om te
kunnen leren en zich te kunnen ontwikkelen in de school naar keuze.
Optimale ontwikkeling en sociaal-emotioneel welbevinden gelden als
belangrijke toetsingscriteria bij de keuze van een school.
De draagkracht van een school kan echter niet ‘zonder meer’
als verwijzingsmotief gelden. Het begrip ‘draagkracht’
zoals dat in de context van het GOK-decreet gehanteerd wordt, is
als verwijzingscriterium wel aanvaardbaar, maar dient in elk geval
geoperationaliseerd te worden in duidelijke indicatoren. Bovendien
dient de evaluatie van de draagkracht voor alle betrokkenen open
en tegensprekelijk gevoerd te worden, rekening houdend met alle
mogelijke vormen van ondersteuning.
Het recht op toegang geldt onverkort voor alle ouders. Ouders van
kinderen met specifieke noden hebben het recht om zelf een school
of onderwijsvorm te kiezen. Zij moeten vrij kunnen kiezen tussen
het gewoon en het buitengewoon onderwijs. De keuze van ouders mag
dus niet mee bepaald worden door het verbinden van ondersteuning
aan een bepaalde onderwijsvorm. Als belangrijkste richtsnoer om
deze keuze te maken geldt het belang van het kind.
Factoren die participatie in de gewone school belemmeren, ongeacht
of deze binnen dan wel buiten de school gelegen zijn, moeten zoveel
als mogelijk door de gewone school opgevangen worden. Hiertoe moet
een aantal basisvoorwaarden vervuld zijn: een juiste ingesteldheid
t.a.v. inclusie (mentaliteitsverandering en procesmatige aanpak),
een correcte inschatting van de (speciale) onderwijsbehoeften, een
aangepaste initiële en verdere opleiding, voldoende middelen
(materiële, personele en financiële) voor ondersteuning,
samenspraak met alle partners en een goede coördinatie.
De afweging om voor inclusief onderwijs te kiezen dient steeds
te gebeuren in het kader van de vraag of deze school, mits extra
ondersteuning, een geschikte leer- en ontwikkelingsomgeving is voor
deze leerling met zijn/haar intrinsieke mogelijkheden en verwachtingen.
Het onderwijsaanbod dient dus meer vraaggericht uitgebouwd te worden.
De schoolomgeving moet uiteraard ook fysiek bereikbaar, toegankelijk
en bruikbaar zijn voor iedereen. De garantie van participatie van
kinderen met specifieke noden in een omgeving moet als voorwaarde
bij nieuwe bouwprojecten gesteld worden. Dit heeft ook betrekking
op mobiliteit.
|