Discussienota minister Vandenbroucke, oktober 2004
In deze discussienota
heeft de minister het specifiek over inclusief onderwijs:
3.4.3. Een onderwijs- en zorgcontinuüm realiseren
De uitbouw van een onderwijscontinuüm heeft betrekking op
het vergroten van de mogelijkheden voor inclusie in het
gewoon onderwijs, versterking van het geïntegreerd
onderwijs, het faciliteren van samenwerkingsverbanden tussen gewoon
en buitengewoon onderwijs, het moderniseren van de structuur van
buitengewoon onderwijs. Inclusief onderwijs en buitengewoon onderwijs
worden op een continuüm gesitueerd. Het tegemoetkomen aan de
specifieke onderwijsbehoeften van sommige leerlingen vraagt immers,
soms tijdelijk, soms permanent, een andere, bijzondere setting.
In de samenwerking tussen het buitengewoon en het gewoon
onderwijs kan heel wat deskundigheid worden uitgewisseld.
Vooral de bekwaamheid van het personeel van het buitengewoon onderwijs
in het dagdagelijks realiseren van aangepast onderwijs is een belangrijk
element. De discussie zal moeten worden aangegaan hoe we bijkomend
investeren in de opleiding van het huidige personeelskader van het
buitengewoon onderwijs om de ondersteunende taak ten aanzien van
het gewoon onderwijs op een professionele manier te kunnen opnemen.
Zo krijgen de diverse onderwijsvormen (gewoon onderwijs,
buitengewoon onderwijs, geïntegreerd onderwijs ....) hun volle
mogelijkheden om in een goede interactie en samenwerking de kansen
van de leerlingen op integratie en inclusie te maximaliseren.Het
nieuwe financieringssysteem moet deze benadering ondersteunen
De aanpak van leerproblemen vereist een totaalaanpak waarbij de
samenwerking in het onderwijs en tussen onderwijs en andere instanties
in een zorgcontinuüm wordt bevorderd. Ten onrechte wordt gemeend
dat de leerlingenbegeleiding een taak is, die hoofdzakelijk aan
de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) is toevertrouwd. Hoewel
de titel van het decreet van 1 december 1998 dit misverstand wat
in de hand werkt, wordt precies in dat decreet de verantwoordelijkheid
van de school voor de eerstelijnszorg vastgelegd en worden heel
wat opdrachten voor het schoolteam aangegeven. De taakverdeling
tussen school en CLB zal beter worden uitgeklaard. Bij het verder
uitbouwen van het zorgcontinuüm gaan we ervan uit dat het schoolteam
de verantwoordelijkheid voor zorg opneemt. Door het wederzijds uitwisselbaar
maken van "punten" uit het zorgverbredingbeleid en "lestijden"/"uren-leraar"
voor het onderwijzend personeel krijgen het schoolteam en het schoolbestuur
de keuze of en in welke mate ze de zorgverantwoordelijkheid door
een specifieke categorie personeelsleden of het onderwijzend personeel
laten opnemen.
De centra voor leerlingenbegeleiding hebben ten aanzien van deze
primaire functie van de school een subsidiaire werking. De school
wordt in haar zorgverantwoordelijkheid ondersteund door de CLB als
weliswaar externe, maar toch schoolgerelateerde organisatie. De
CLB hebben een belangrijke rol bij het ontwikkelen van scholen als
krachtige leer- en begeleidingsinstanties, waarbij de brede zorg
voor de leerlingen wordt opgenomen. Belangrijk is dat de CLB hierbij
hun onafhankelijkheid bewaren.
Het installeren van een zorgcontinuüm moet vertrekken vanuit
de school, maar zal in nauwe samenwerking met het welzijnsveld rondom
de school moeten gebeuren. Het bevat immers een combinatie van educatieve,
preventieve en curatieve acties. Het CLB als organisatie die in
een onderwijscontext fungeert, dient vanuit het decreet te beschikken
over een "aanwijsbaar netwerk" en is als zodanig een actieve
partner in een netwerk van diensten uit het welzijnsveld en de gezondheidsvoorzieningen.
De positie en de rol van onderwijs in de integrale jeugdhulpverlening
en de jeugdzorg zullen in dit kader verder geëxploreerd en
ingevuld moeten worden.
|